Afdrukken

de verwachting
opgevouwen tussen lakens
sliep nog
als een waakvlam
in de schoot van verlangen

toen werd het stil

er volgde
een ommekeer
die overal kon komen

er is een huis
waar de lucht de adem inhoudt
om naar een eerste hartenklop te luisteren

kwart voor zes in de ochtend
heeft zich iets prijsgegeven
een komma
een punt van bestaan

een hand wordt
op een schouder gelegd

er is het geloof
dat zegt: nog één minuut
nog één
kom

het bed onthoudt
de kuil in het matras
nog warm van het samenzijn
de arm die blijft liggen
wanneer de ander is opgestaan

een ander alfabet:
wat binnen is
is buiten
zonder onderscheid
tussen schuld en een stoel

wat wordt aangeraakt
verandert van gedaante
de blik beslist:
een krant wordt snippers papier
een gedachte verschuift tot een zin
die heel veel later
in de coupé van een trein
haar ogen opslaat

iedereen denkt
dat woorden uit een mond komen
het is andersom
de mond wordt gevormd
door het woord
dat weigert ingeslikt te worden

er is het gesprek
dat nooit heeft plaatsgevonden
een brief op tafel
een nee dat struikelt
over geperste lippen

verwar de geest niet
met een laken en een ketting
ze laat zich niet begraven
omdat ze nooit beneden was
 
een gedachte stijgt op
vanuit de kruin van het hoofd
alsof een schoorsteen
een kanaal van ideeën is

er zijn mensen
die zichzelf opeten
het klinkt onmogelijk
tot je naar ze kijkt
zo dun

daar: een deur
een kier
de eerste tocht

de vlam 
buigt, danst, reikt
lijkt op iemand
die iets wil zeggen
en zich dan bedenkt

een beweging
die zichzelf voortdurend corrigeert
en daardoor blijft bestaan

nog een woord
een deur, een raam
nog een naam

de smidse:
metaal, zacht genoeg
om een andere vorm te verdragen

de hamer komt
niet als straf
maar om te vragen
wat er meer kan zijn

een stad
een nieuwe plattegrond

onder de as
zit geen einde
wel een andere tijd
met nieuwe vormen

een bot, een zaad, een spijker
een stukje glas
een ring waar een vinger
uit is verdwenen

een raam waarachter iemand
de tafel afruimt
bleek uitgeslagen
in de adem van een wintermond

iemand snijdt een ui
er is een oog dat traant
in de pan krijgt boter
ineens toekomst
spetterend

je zal sterven
daar valt niet over te twisten
bossen, bibliotheken
met hun duizenden monden
worden in één nacht
tot stilte gemaakt

de geschiedenis
zo dicht bij elkaar gebracht
dat niemand weet
waar de eerste fout begon

de boom die niet weet
dat hij een touw
met een schommel draagt

niet alles wordt weggenomen
een deurpost
een metalen lepel
een tegel met een halve naam

en de vogel die terugkeert
naar die boom
die er niet meer is
en, bij gebrek aan een boom
een nieuwe plek vindt

hier stond de tafel
hier sliep de dochter
hier lag de sleutel

woorden
we laten ze lopen
we laten ze struikelen
in hun betekenis verbranden
om daarna
met lege handen thuis te komen

kijk, zegt de zin
ik heb niets meer

wat niet waar is
de zin heeft juist ruimte gekregen

hij woont in de borst
waar verlangen
tegen angst aanligt

jaren kan hij er zitten
tot iemand klaarstaat
om het lichaam te breken

wanneer de ochtend komt
en iedereen zegt:
het is voorbij
zeg je:
nee, kijk beter
daar
onder het grijs
waar de as nog warm is
met één tak rood

wacht een lucifer