Verleden
het pad vol naalden
zacht van wat geweest is
onder mijn voeten
de brieven van de herfst
uitgebloeide heide
vennen waarin de lucht
zichzelf herinnert
een gedachte komt voorbij
een oude bekende
modder aan haar schoenen
daarna weer één
een jas
te zwaar voor het seizoen
ingehaald word ik
door wat achter mij ligt
ik blijf staan
tot het pad mij is vergeten
Offer
het broeivuur
hier en daar uitgetrapt
vlamt op
achter je rug om
als je niet oplet
vlucht je dan
het opgedroogde bos in
met gevaar
voor eigen leven
of ontferm je je
over de gebutste resten
van je eigen offer
Ik ben
een randje tijd
dat zich vergist in de dag
een kamer
waar stoelen wachten
op een lichaam
wat overblijft
wanneer alles voorbij is
een jas zonder winter
een ogenblik
als jij me aankijkt
Kou
de ironie als reddingsboei
drijft weg
nog voordat
je in het water ligt
lachen is een deur
waar je doorheen valt
voor het kind is alles echt
voor de oude vrouw herinnering
stoelen in een kring
er kan een gesprek beginnen
een man zonder gezicht
schuift naar het midden
hij pakt je hand
je rilt van de kou
Het huis
ik droomde
dat ik doodging
been voor been
nog gauw
pakte ik het fotoboek
van mijn jeugd
onder mijn arm
een schrift
met plakplaatjes
het huis
met dichte ramen
riep me terug
maar ik rende door
ijlings
naar mijn graf
Entree
hij mag binnenkomen
de grommende sabelbandtijger
de potige despoot
struikrover uit de
naargeestige bosjes
van mijn vlindertuin
mijn deur staat open
ik ben niet bang
Stadsmuur
de dikke oude stadsmuur
wil iets zeggen
steen voor steen
te moe
om nog te stapelen
zucht hij
een code
uit het verleden
zo zacht
dat ik hem
niet kan verstaan
Blauw
ik omvat ons huis
de stad, het hele land
mijn hoofd
vol uitwaaierende draden
lost op
in een alomtegenwoordige
aanwezigheid
een blauw
zo koud
zo ver bij jou vandaan
dat ik snel je arm zoek
om terug te keren
Vogels
het zijn de vogels
die weten
als alziende engelen
lucht, hoe dun ook
kan jou dragen
er is ruimte
om te komen
om te gaan
vlees is
om van op te stijgen
kom
vlieg mee
hoogstens
val je omlaag
Vuurvlinders
eens was dit
een stad van steen
zwart
verstard
in eigen geloof
ik had niet verwacht
dat later
zoveel later
toen ik allang verhuisd was
vuurvlinders
uit de kieren van huizen
de nacht
zo lichtend
zouden openbreken
Gezang
het is nacht
aardedonker
maar ik hoor
de vogels al zingen
van de dageraad
die aanbreekt
het licht dat
ons lichaam vult
en ons vanaf nu
voor altijd wakker houdt