Afdrukken

Newtons fragmentatie

hij hakte de wereld in stukken
schilderde haar bewegingen
op nieuwe doeken
de eenheden uitgerekt
langs zelfbedachte assen

zijn handen braken de schalen
van afstand en krachten
tot wiskundige variabelen

zwaartekracht is geen geur
maar een verborgen geluid
in het mechaniek van de tijd

zijn stralen van inzicht
doorkliefden de hemel
als een speer
door wat eerder schimmig was

waren het wel zijn gedachten
bij het vallen van de appel?

of was het de wiskunde
die een net wierp
over wat niet te vangen is?

hij plaatste een nul op de noemer
van een weerbarstige breuk
zonder ooit nog te stoppen



Maxwells verbanden

hij trok draden door de wereld
verbond onzichtbare golven
tot een symfonie van lijnen

eindelijk vonden
elektriciteit en magnetisme elkaar
in een gezamenlijke zang

vergelijkingen als koorden
gespannen tussen veld en materie
formules die vonkend oplichten
als muziek die de ruimte
harmonisch laat trillen

in de kamers van zijn denken
kruisten krachten als rivieren
hun stromen vloeiden samen
tot een oceaan van energie

lichtdeeltjes zwemmen er
als vissen van puur bestaan

de lucht bleek doordrongen
van vibraties die niemand kende
tot hij ze tekende
op papier, als onomstreden wetten

licht werd een boodschap
een golfslag die zich eindeloos
met dezelfde snelheid voortplant

hij was de stille architect
van onzichtbare straling
hij schreef de partituur
waarop het universum zingt

 

Plancks quanta

uit de stilte van zijn meetkamer
klonk een nieuwe maat
niet vloeiend, niet eindeloos
maar gebroken in kleinste trappen

quanta, als een enkele zucht
die de kosmos verdeelt
in tikken die de ruimte delen

met h als de sleutel
op de deuren van de microwereld

het vuur van de zwarte straler
zong hem de waarheid toe
geen oneindige gloed
maar een spel van grenzen
waar energie hapert en springt

hij stond er
als altijd terughoudend
zonder te beseffen
aan het begin van een nieuw weten

de breuk met een wereld
die gelijkmatig voorbijglijdt;
licht deelt zich op
in korrels van waarschijnlijkheid

het was de eerste steen
van een tempel waar de fysica
opnieuw zou leren spreken



Einsteins ruimtetijd

zijn hersenpan, een kookketel;
opengeklapt spuwde hij
eigenzinnige ideeën
de wereld van formules in

de tijd klontert samen
in elastische banen
klieft door een paradox
aan bewegingen

het zwaartekrachtveld buigt
onder het gewicht van de tijd
een stroom dimensies met vectoren
verward in een uitdijend heelal

zijn geest, niet gebonden aan het lineaire
verbrak de symmetrie van ons weten
al spelend met singulariteiten

in zijn hand haperde de energie
tot wankele massa’s

hij ontleedde de kosmos
geen val, geen aantrekking
slechts het weefsel van
een naakte en gekromde ruimte
 
op de vlucht voor een gedachte

 


Bohrs cirkel

hij laat deeltjes dansen
in orbitaal stilzwijgen
een zonnewiel zonder zon
met slechts waarschijnlijkheden
als aanwezigheid

elk antwoord
splitst zich in tweeën
golven zijn tegelijk deeltjes
orde is ook chaos
het universum spreekt meerstemmig

zijn interpretatie zoekt geen oplossing
maar een balans van paradoxen
complementariteit als een gebaar
dat beide handen tevreden stemt

hij bouwde een ladder van cirkels
waar elektronen heen en weer springen
verend, lichtend, vol energie
in een ritme dat niemand begrijpt

en toch: uit dit spel van beperkingen
ontstond een nieuwe orde
een microwereld, niet te vatten
maar zich tonend in de schaduw
van verfijnde meetinstrumenten

de vader uit Kopenhagen
wist dat waarheid
geen monopolie bezit
maar een spiegel is
die breekt zonder ooit te vallen


 
Onzekerheidsvergelijking

wiskunde doet zich voor in marges
formules in breukdelen die je niet begrijpt
het stapelt zich op: een dans van dolende decimalen
terwijl de tijd een cirkel draait

wat is de som van een lichaam in beweging
als elke spier zijn eigen oplossing zoekt?

in de schaduw van vermoedens
schiet een gedachte langs de rand van berekening
maar je telt te langzaam, je geheugen flakkert
en de eerste wortel slaat al scheuren in jouw pad

lichamen zijn breekbaar als theorieën
met ribben als asymptoten, zenuwen
die uitvloeien in wilde algebra

je weet het pas als je het oplost
er niets overblijft, behalve wat niet is

de taal van waarschijnlijkheid zingt vals
mogelijkheden verdrinken in de exegese
van wat je ooit durfde te voorspellen

je eigen stem blokkeert
in een grammatica
die elke richting verliest

kun je een weg vinden tussen muren
als elke beweging een complot inhoudt?

is er een naam voor wat zich verbindt
zonder samenhang, een breuklijn
die geen aardbeving vreest?

als trilling van een onbekend gegeven?

 


Schrödinger praat tegen zichzelf

in de kronkel van overleving
waar geen logica meer huist
bungelt de kat aan een draad van onzekerheid

verzegeld is de verwachting
gecodeerd in golffuncties
alsof de ruimte is verstrooid aan gedachtengrenzen
tandeloos bijtend in haar eigen paradox

in de doos van mogelijkheden
trilt de ruimte van waanzin, splitst zich op
in axioma’s, terwijl de tijd zichzelf herschrijft
in partituren die niemand hoort

het mes snijdt aan twee kanten
verdwijnt in de snede, met als uitkomst:
het leven vlecht zich in fragmenten
van vermoedens

onder de schil van weten ligt een vacuüm
en de kat, gevangen in gelaagdheid
doet er niet toe, tot hij ertoe doet

 

Heisenberg in fasen

hij beweegt onder de druk van zijn eigen ontkenning
grenzend aan het gordijn waarachter
hij zich verstopt als residu van bestaan

de som van zijn variabelen
schuift als een asymptoot
door zijn brein
weegt loodzwaar in de dieptes
waar materie zich verschuilt
in een ogenblik van verlies

zijn ogen: een palimpsest van formules
waar we enkel op kunnen rusten
zonder een nulpunt aan te wijzen

in het lab van zijn denken breekt causaliteit
zich in omgekeerde volgorde
symmetrieën falen met elke botsing

waar taal verdampt, versmelt de betekenis
van foutmarges, een verschuiving zonder as
een derde kracht die alles verdeelt
tussen wat was en ooit zal worden

hij volgt de lijnen, de matrices
maar ze breken waar hypothesen
losraken van de grond

atomen fluisteren in een dialect
dat wij nooit zullen leren:
ergens tussen virtuele paden
vol lege verwachtingen

wat overblijft zijn restanten
van nauwkeurigheid
een fractie van plaats en beweging
op de flinterdunne lijn
tussen zijn en niet-zijn

maar, wie zijn wij zonder fouten?
een sprong misschien
naar wat waar is
maar niet te vinden valt

wie meet, dissocieert
wie voelt, vergeet