Afdrukken

Kiem

ik leg mijn hand op tafel
bovenop de kras van gisteren

de wereld vraagt
zwaarte te dragen

ik twijfel
tel de hartslagen
onder het gewicht

daar
waar vermoeidheid dun wordt
begint het kind 



Draden

je raakt me
nog vóór je verschijnt

een trilling in de lucht

een gedachte dwarrelt
tussen ons in
je kijkt op
we ademen in hetzelfde ritme

als vezels van een groter
lichaam

jouw ogen
in mijn kamer 

Schoonmaak

je poetst niet
je wrijft een herinnering wakker

een gouden zon
het koper onder de huid

je laat je handen bidden

er zijn plekken
waar het vuil zich herhaalt
als gedachten die niet weten
dat ze oud zijn

geduldig laat je ze uitdruipen
in jouw huis van stilte



De volgende kamer

mijn gezicht denkt zichzelf wakker
in zoeken, in zuchten

wat het vindt
kijkt terug zonder ogen

een beweging in zichzelf verstrikt

elk begin
een uitgeworpen vislijn

wat blijft:
een volgende kamer in mijn mond

 

Antenne

ik vang de wind
drink het geruis van rivieren
tot mijn mond naar ijzer smaakt

het zand onder mijn voeten
siddert

stofwolken
scheuren open in de ochtend

van dichtbij hoor ik
het schuren van tijd in rotsen

de wereld trekt omhoog
en ik tril mee



Doorgaan

de grond voelt dun
alsof er iets beweegt
een gerucht van stappen

ik denk: hier stopt het

ik draai me om
de lucht hangt scheef
een vogel probeert op te vliegen

de landweg achter mij
herhaalt mijn beweging

de tijd trekt een draad
door de ochtend
een half geboren gedachte
aan opnieuw 
weigert te verdwijnen

dit is geen einde
een terugkerend zoeken

een lichaam
dat blijft gaan



Vuur

het begin is ritseling
niet buiten, maar vanbinnen
in wat weigert hard te blijven

een vezel breekt open
de richting kiest zichzelf

vuur, geen gevoel
maar keuze

vlammen hebben geen geweten
ze stoppen niet

als een begin dat zich
vanzelf herhaalt

verdwijnen is
een brandende vorm
van helderheid

as blijft achter
een schrift dat niemand leest

je kunt er
doorheen strijken
met je vingers