Afdrukken

Verbod op haat

ik moet streng zijn
als voorbeeld
hier geldt: geen haat

ik leg mijn hand op tafel
bovenop de kras van gisteren
eerst dacht ik: iemand moet de wereld redden
maar nu: nee, iemand moet haar dragen

de wereld zakt omlaag
in gezichten die wij ontwijken
ik tel de adem tussen ons
en denk: je deelt die met mij

ook als je hem niet voelt
ook als je hem verbergt

lucht heeft geen voorkeur
licht sijpelt altijd door dezelfde kier
ook als jij je afwendt
met je blik

er is een greep
om het hart open te wrikken
je moet het kennen
zijn vermoeidheid aanraken
tot waar het kind begint

ik breek niet in woorden
maar neem ze mee
zoals een rivier een steen meeneemt
tot die, gaandeweg de stroom
richting de waterval
lichter wordt

ik blijf streng
maar ik koester
mezelf, standvastig
want jij, de ander
ik herken je

 


Draden

iets raakt mij
nog vóór jij verschijnt
een trilling tussen je naam
en de lucht die haar draagt

er dwarrelt een gedachte
als een blad van een boom
tussen ons in
je kijkt op
we ademen in hetzelfde ritme

als vezels van een groter
lichaam

elk woord dat ik zeg
hecht zich aan jou
en keert terug

er zijn geen grenzen
alleen huid
die zich even sluit
als water rond de steen
die in een vijver valt



Schoonmaak

je poetst niet
je wrijft een herinnering wakker
onder het matte oppervlak
van dagen zonder stem

met elke aanraking
haal je terug wat zich verbergt
het zuchten van de zon
het koper onder de huid

het zijn je handen die bidden

er zijn plekken
waar vuil zichzelf herhaalt
als gedachten die niet weten
dat ze oud zijn

geduldig laat je ze uitdruipen
in jouw huis van stilte

licht maakt geen geluid
het komt terug
altijd weer



Onderhuids

een oppervlak denkt zichzelf
wakker
blind voor wat ademt

wat het vindt
kijkt terug zonder ogen

een beweging die zichzelf vergeet

elk begin is een draad
in de knoop van wat nog spreekt

maar wat blijft:
een volgende kamer in mijn mond

en een hand 
die tast

 


Antenne

ik vang de wind
drink het geruis van rivieren
tot mijn mond naar ijzer smaakt

het zand onder mijn voeten
siddert, gedachten worden wakker
als vonken in het duister

ik lees het vlies van stofwolken
dat scheurt in de ochtendzon
tot gebroken licht

van dichtbij hoor ik
het schuren van tijd in steen

ik ben het oog
open, brandend
dat niet sluit

door mij, in mij
trekt de wereld omhoog

en ik tril mee




Doorgaan

de grond voelt dunner
alsof er iets beweegt
een oud gerucht van stappen

ik denk: hier stopt het
en ik geloof het zelf even

ik draai me om
de lucht hangt scheef
een vogel probeert op te vliegen

de landweg achter mij
herhaalt zich in een beweging
die op wachten lijkt

de tijd trekt een draad
door de ochtend
een half geboren gedachte
weigert te verdwijnen

dit is geen einde
eerder een terugkerend zoeken

het lichaam blijft gaan



Vuur

het begin is een ritseling
niet buiten, maar in iets vanbinnen
dat weigert hard te blijven

een vezel breekt open
de richting kiest zichzelf

hitte, niet als gevoel
eerder als keuze

vlammen hebben geen geweten
ze weten niet van stoppen
herinnering
een begin dat zich herhaalt

verdwijnen is een vorm van helderheid
overtuigingen knappen
een idee laat los

as blijft achter
als schrift dat niemand nog leest
je kunt er doorheen strijken
met je vingers

iets heeft zich voltooid
door wat was
te doven