Hoofdbanner

In de middag begon het ontbreken, handen die dwarrelden,
het hoofd al los op schouders, benen die bijna bezweken,
gaten als geïmplodeerde sterren in mijn hart.

Eerder schudde ik de uitschuifstokjes van vele mensen,
ze klonterden tezamen onder het toeziend oog van strakke
muren, tot één groot lichaam, murmelend als een veelkoppig
monster, de wc’s ondertussen liepen overvol van uitgekotste
angsten, overal natte dweilen op de vloer, bij het kopieerapparaat
een stagiair ondersteboven aan de muur geplakt, een getekende
smiley om zijn mond, om zichzelf een gezicht te geven.

Je begrijpt dat ik daar niet bij kon, al die stukjes klaarlichte dag,
al die onoplosbare puzzels, het gesteun en gezucht van een
in zichzelf gekeerd kantoor, daar waar ik steeds naar deuren keek,
een strohalm zocht, elke keer weer niemand op kwam dagen.

Ik dacht, dit is het einde. Moe en verlaten pakte ik een steen, 
wond mijn laatste restjes hoop er omheen en vroeg me af
of ie zou smelten onder mijn tranen. Dat ik alsnog geroepen
zou worden vanuit onverklaarbaar witte wolken.

Er gebeurde natuurlijk niets, de steen bleef koud en ondoordringbaar, 
net als mijn hart, bond ik mezelf in. Ik keilde de steen door het raam 
van een willekeurig huis, keek wie er opsprong, de deur uit vluchtte, 
met geknakte benen op het dak ging zitten. Ik zuchtte. 

Het zal je gebeuren, ribben die opengebroken worden om 
jouw intieme bezit te stelen, je ziel en zaligheid op te rollen tot
één grote grap om vervolgens door iedereen te worden uitgelachen. 

Gelukkig zijn er tralies in de wereld om gevangenen te beschermen.