Hoofdbanner

In de late avond krijg ik een stoel aangeboden
met uitzicht op zee, de beste plek voor vergetelheid, zeg je
terwijl je mijn voeten wast, zie je die golven in de verte,
die koppen schuim met hun rechtopstaande haren van verschrikking,
het zijn jouw daden, ze spoelen hier aan, laten in dit huis
van hoop en verwachting hun sporen achter, je kunt ze herkennen,
geef mij je hand, laten we als strandjutters de boel opruimen,
geef ruimte aan de drieteenstrandlopers langs de vloedlijn,
kijk hoe ze de golven vooruit snellen, wat lijkt op vluchten
is een dansen op het ritme van de zee.

Ik zie niets, het lukt mijn botte handen niet het verleden
in plakjes te snijden, de dagen zijn kale vlaktes, de uren puntige rotsen
op de olifantenpaadjes in het gras, de seconden ondertussen
bonken in mijn hart, richting kleine bloedsomloop, de grote,
de aorta als een rivier die, een tollend hoofd dat,
ach, mijn voeten blijven zwart van de aarde waarop ik voortbeweeg,
hoe hard je ook boent, hoe lief je ook bent, het gaat niet voorbij.

Ze komen eraan, fluister je in dit milde uur, zie de aanstormende
fakkels, de wapperende haren, de priemende blik in wijde ogen.