Hoofdbanner

De zoon in wie je opgroeide keert terug,
nog eenmaal om zijn jeugd weg te kauwen,
oh huis dat zonder vader en moeder alleen nog
uit holle ogen en zwijgende muren bestaat,
de herinnering die als een toffee aan je tanden
plakt, je wilt het verwijderen, maar je tong is niet
sterk genoeg, zoals je je ouders nooit hebt tegengesproken,
geen zwaard wilde gebruiken om in opstand te komen,
zoals nu geen tangetje om die verstikkende zoetigheid
weg te peuteren, uit angst loszittende kiezen te verliezen,
tandeloos door het leven te moeten gaan.

Bijten doe je, als een vis naar wat dwarrelend aas
in de stroom van alledag, je ziet de blinkende haakjes niet,
de scherpte onder de oppervlakte, je schrikt pas als je bruusk
uit je dromen bent opgehaald, spartelend in benauwde lucht
wil je terug maar het is te laat, een strenge kou is het land
binnengedrongen, het voorheen vloeiende water is een schild
van ijs waarop je ouders hun ouderwetse rondjes schaatsen,
hand in hand, alsof ze het eeuwige leven hebben.

Op versleten houten planken zie je je zelfbeeld liggen,
midden in de kamer, slordig door de verhuizers achtergelaten,
je loopt er behoedzaam omheen, je herkent jezelf, een spiegelend 
kistje zonder slot, je kunt het openen maar doet het niet.