Afdrukken

In mijn jeugd op het platteland van West-Friesland was er in de herfst vaak sprake van wateroverlast. Door een niet goed werkende drainage ontstonden er veel plassen op het land, met diepe karrensporen die de met kool of suikerbieten zwaar beladen wagens hadden veroorzaakt. Mijn broer en ik hadden er veel lol in om de diverse ‘kanalen’ met elkaar te verbinden om zo het water weg te laten stromen. Daar konden we uren mee bezig zijn.
Een andere herinnering: op ons aardbeienveld, helemaal achter op ons land, waar mijn broer en ik geacht werden het vuil weg te schoffelen, hebben we een keer uit verveling de sloot aldaar met kluiten aarde helemaal dichtgegooid, waardoor er een dam ontstond zodat het water niet verder kon stromen. Geen flauw idee waarom we dat deden, het kwam gewoon in ons op.
Later, toen we in Frankrijk vaak aan een riviertje kampeerden, viel mij op dat Nederlandse kinderen met de daar aanwezige keien steevast dammen in de stroming van de rivier maakten. Dat was opvallend, want Franse of Duitse kinderen deden dat nooit. Kennelijk zit er iets in de Nederlandse aard dat dit soort gedrag veroorzaakt. Iets dat te maken heeft met onze eeuwenlange strijd tegen het water. Om te overleven moesten generaties lang dijken bouwen om zich tegen de zoveelste overstroming te beschermen. Alsof dat op een of andere manier in onze volksaard is geslopen, als een soort van intrinsieke eigenschap.

Ik moest hieraan denken toen ik me hernieuwd verdiepte in de morfogenetische velden zoals die door de celbioloog Rupert Sheldrake (1942) naar voren zijn gebracht. Sheldrake is vooral bekend geworden door het televisieprogramma uit de jaren negentig Een schitterend ongeluk van Wim Kayzer. Hij maakte toen indruk met nieuwe inzichten in het gedrag van dieren en de mens. Zijn originele visie sprak veel mensen aan die op zoek waren naar een uitweg uit de al te starre mechanistische verklaring van het leven hier op aarde. Die zegt dat er alleen atomen en moleculen bestaan en verder niets. Al het leven op aarde zou hieruit moeten zijn ontstaan. Zomaar vanzelf. Er is geen doel of streven, behalve overleven. Zelfs ons creatieve denken, ons gevoel voor schoonheid en liefde, zijn te reduceren tot een proces van chemische en natuurkundige reacties in onze hersenen. Die op hun beurt weer door het toeval bepaald worden. Meer zou er niet zijn.   

Een nogal kale zienswijze waar het nodige tegen in valt te brengen. De valkuil van veel tegenstanders van deze materialistische manier van denken is echter dat zij doorslaan naar de andere kant: het denken wordt gewantrouwd, alleen ‘wat je voelt’ telt nog. En wat je voelt is eerlijk. De gevolgen zijn allerlei vormen van gezweef en luchtfietserij. Een blind geloof ook in wat zij als een nieuw soort waarheid zien, en vooral, waar zij denken het alleenrecht op te hebben.
Het unieke van Sheldrake is dat hij de mechanistische visie niet zozeer bestrijdt als wel aanvult met een wat meer metafysische verklaring. Hij doet dit vanuit een puur wetenschappelijk standpunt en probeert zich strikt aan de feiten te houden: de reproduceerbaarheid van zijn experimenten staat bij hem centraal.

In zijn standaardwerk Een nieuwe levenswetenschap uit 1981 onderscheidt Sheldrake drie verschillende wetenschappelijke visies. De eerste is de mechanistische visie, zoals hierboven al even geschetst. Alleen atomen en moleculen worden als werkelijkheid beschouwd. Hun gedrag is meetbaar, voorspelbaar en met wiskundige formules helder te krijgen. Dit soort bestudering van het gedrag van atomen en moleculen is de laatste 100 jaar zeer succesvol gebleken. Alle techniek die de mens heeft ontwikkeld is hieruit voortgekomen. Het heeft ons veel materiële voorspoed gebracht. Met name het in kaart brengen van ons DNA is een gigantische wetenschappelijke prestatie geweest. Ook als buitenstaander kun je hier alleen maar bewondering voor hebben. Veel onopgeloste moordzaken kunnen nu bijvoorbeeld met terugwerkende kracht worden opgelost. Wat een zegen. En de techniek ontwikkelt zich verder, daar is geen houden aan.

Sheldrake wijst echter, naast alle behaalde successen, ook op de tekortkomingen van deze mechanistische visie. Veel gedrag van mensen en dieren kan hier niet uit verklaard worden. Hij introduceert een nieuwe visie, die een combinatie is van vitalisme en organisisme. Vitalisme zegt dat er naast de natuurwetten een andere factor aanwezig moet zijn om het gedrag van al wat levend is te verklaren. Al in 1844 verwoordde de scheikundige Liebig dit standpunt. Hij stelde dat scheikundige processen nooit het punt zouden kunnen bereiken waarop ze bijvoorbeeld een oog of een blad van een boom zouden kunnen scheppen. Het creëren van dit soort vormen veronderstelt een bepaald soort vitaliteit die in het organisme zelf besloten ligt. De embryoloog Hans Driesch heeft dit later verder uitgewerkt. Hij wees op het vermogen tot zelfregulatie bij een verstoorde embryonale ontwikkeling, veroorzaakt door bijvoorbeeld een kunstmatige ingreep van de onderzoeker. De overgebleven weefsels reorganiseren zichzelf, waarna de ontwikkeling zich in een ‘geheelde vorm’ voortzet. Volgens Driesch kan dit proces niet vanuit een mechanistische visie verklaard worden. Deze in de soort aanwezige levenskracht noemde de filosoof Henri Bergson, over wie ik eerder schreef (zie hier) élan vital. 
Het organisisme vult dit vitalisme aan door er vanuit te gaan dat er een overkoepelend geheel (een orgaan) moet zijn dat de ontbrekende onderdelen weer in- of aanvult. Iets wat vorm geeft en als een veld boven de soort hangt. Zoals er in de natuurkunde sprake is van elektromagnetische velden en zwaartekrachtsvelden kun je hier spreken van morfogenetische velden. Morfo is Grieks voor vorm. Genetisch geeft aan dat dit oorspronkelijk aanwezig is. Ofwel, stelt Sheldrake, dit zijn velden die in grote mate het gedrag en de vormen van ons leven beïnvloeden. Niet direct aantoonbaar, wel indirect te duiden door de bestudering van bepaalde soorten opvallend gedrag van zowel mens als dier, tot zelfs dat van eencelligen aan toe.  

Let wel, Sheldrake benadrukt steeds weer dat de aanwezigheid van morfogenetische velden een hypothese is, geen onweerlegbaar feit. Hierin stelt hij zich op zoals het een wetenschapper betaamt: bescheiden. Maar uitgaande van deze hypothese is veel gedrag van mens en dier veel beter verklaarbaar. Dat blijkt uit een grote hoeveelheid experimenten, onder andere door Sheldrake gedaan. Wanneer een soort een bepaald gedrag heeft aangeleerd en dit in het overkoepelende veld is ingedaald, zullen dieren op een andere plek die deze eigenschap nog niet hebben veroverd dit gedrag sneller overnemen dan dat ze dit uit zichzelf moeten leren.
Sheldrake noemt dit verschijnsel de vormende oorzakelijkheid. De vormen en manieren van gedrag hangen als een veld boven ons. Ze veranderen met de tijd, met onze manieren van leven. Bij eenvoudige diervormen zijn ze sterk gekanaliseerd, vormen ze een scherpe chreode (= uitsnijding in het landschap van het veld), waardoor er weinig variatie op kan treden. Bij meer ingewikkelde diervormen, en dus ook bij de mens, is deze chreode minder vast omlijnd, met veel meer variatie in mogelijke vormen en gedrag als gevolg.

Dit gegeven van de morfogenetische velden kun je zoals gezegd ook op de mens toepassen. Naarmate steeds meer mensen een bepaalde vaardigheid onder de knie hebben, des te makkelijker en sneller zullen anderen zich deze eigenschap verwerven. Sheldrake onderscheidt overigens ook motorische velden die onze bewegingen zouden beïnvloeden. Wat vaak instinct wordt genoemd is tot deze motorische velden te herleiden. Bepaalde bewegingen die onze voorouders zich hebben aangeleerd, nemen we als vanzelf over, ook wanneer we ze nooit als voorbeeld hebben gezien. We doen dit ogenschijnlijk uit onszelf. Denk aan het leren om te fietsen. Vroeger, zo’n 100 jaar geleden, was dit voor een kind een hele opgave, tegenwoordig stapt een kind van vijf op de fiets en vooruit, hij kan het.
Een ander voorbeeld voor de (waarschijnlijke) aanwezigheid van een morfogenetisch veld (later door Sheldrake gewoon een morfisch veld genoemd): de wiskunde op de middelbare school. Vroeger werd deze slechts begrepen en toegepast door een beperkt aantal geniale wetenschappers, tegenwoordig zijn er over de hele wereld miljoenen leerlingen die dit met relatief gemak tot zich nemen.
De mens heeft deze eigenschappen ‘veroverd’, waarna het in het morfogenetisch veld is opgeslagen. Waaruit ieder op zijn beurt weer kan putten. Sheldrake spreekt hier van morfische resonantie. Het boven ons hangende veld correspondeert met onze specifieke eigenschappen. Er vindt een versterking plaats van boven naar beneden. Hoe vaker dit plaatsvindt, hoe scherper de kanalisatie in het veld (hoe dieper de chreode), hoe algemener de soort deze eigenschap (en de bewegingen) zal oppakken.

Terugkomend op mijn jeugd toen mijn broer en ik urenlang in de weer waren met het afvoeren van overtollig water of het maken van een dam in een sloot. Of het gedrag van Nederlandse kinderen in de riviertjes in Frankrijk. Kennelijk putten we toen uit het morfogenetisch veld door onze oer-Hollandse voorouders in de vele eeuwen strijd tegen het water gecreëerd. Een veld dat alleen boven het polderlandschap van Nederland hangt en waar wij Nederlanders met z’n allen mee in verbinding staan. Zonder dat we het weten.

Een interessante gedachte die, voortbordurend op de hypothese van de morfogenetische velden, meer in zal dalen zodra we die met z’n allen delen. En die dan uiteindelijk tot een algemeen aanvaarde nieuwe visie op het leven zal leiden, min of meer bevrijd van de in mijn ogen te beperkte mechanistische visie, jawel.