Hoofdbanner

Rembrandt van Rijn (1606-1669) is voornamelijk bekend om zijn Nachtwacht die in het Rijksmuseum van Amsterdam hangt. Minder bekend is dat hij zich tijdens zijn leven ontwikkelde van fijnschilder, die de werkelijkheid zo natuurgetrouw wilde weergeven (met verfijnde lichtreflecties, reflecties van reflecties etc.) tot een schilder die zijn personages steeds grover schilderde en ze daarmee steeds meer liet 'leven'.
 
In zijn beginperiode schilderde Rembrandt met penseel gedetailleerd in een plat vlak, zoals in die tijd gebruikelijk was. Hij deed dat in een prachtig spel van licht en donker, met vaak scherpe contrasten om zo de toeschouwer het schilderij binnen te trekken. Hij was al snel beroemd, hetgeen hem belangrijke opdrachten opleverde. Eén ervan was De Nachtwacht, dat hij tussen 1640 en 1642 voltooide. Het bracht hem faam tot in onze tijd toe.
Maar op het einde van zijn leven veranderde Rembrandt van stijl. Hij werkte veel meer driedimensionaal. Hij verfde daartoe ook niet met een kwast of penseel, maar smeet en klodderde met een mes dikke lagen verf op het doek. Precies zoals Karel Appel dat eeuwen later zou doen. Het ging er daarbij ruig aan toe.
Een voorbeeld van deze door Rembrandt doorontwikkelde techniek is Het Joodse Bruidje (1667), ook te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam. Van dichtbij ziet dit schilderij er ruw en ronduit slordig uit, van grotere afstand daarentegen juist levensecht. 

             Joodse bruidje
                    Het Joodse Bruidje van Rembrandt


Persoonlijk raakt mij dit levensechte van Het Joodse Bruidje meer dan de wat vlakke andere schilderijen van Rembrandt, hoe knap ook geschilderd. Hoe kan dit, wat gebeurt hier?
In het algemeen: de grondslag van ons waarnemen is dat zintuigen (hier voornamelijk de ogen) onze indrukken ordenen in ruimte en in tijd. We denken daarbij dat ruimte en tijd een eigenschap van de "werkelijkheid buiten ons hoofd" is. Maar de diepte in het (tweedimensionale) schilderij is er niet echt. Wij construeren zelf de driedimensionale ruimte. We zijn hier actief in. We laten het schilderij niet passief tot ons komen, maar zijn de actieve toeschouwer. We scheppen.

De filosoof Kant heeft beschreven dat het kijken naar bijvoorbeeld een schilderij een activiteit in zich draagt. Er is geen sprake van een passieve afdruk van de werkelijkheid, zoals bij een fototoestel dat een volkomen getrouwe afbeelding van de werkelijkheid maakt. Wij creëren tijdens het waarnemen ieder moment opnieuw de werkelijkheid. 
Zoals de diepte niet echt in het schilderij aanwezig is, is ook ruimte volgens Kant geen eigenschap van de werkelijkheid zoals die op zichzelf is. Het zijn onze zintuigen die ruimte construeren, die deze ordenen in voor en achter, onder, boven en naast elkaar. Dit om meer grip op de werkelijkheid te krijgen. Schilders maken hier gebruik van, van het vermogen van onze zintuigen om zelf de dingen in de ruimte te plaatsen.
Bij het klodderige Het Joodse Bruidje worden onze ogen gedwongen actief aan de slag te gaan om structuur aan te brengen. In details is het schilderij niet af. We moeten het nog naar een herkenbare waarneming transformeren, juist door de onvolkomenheden. We scheppen het schilderij als het ware naar wat wij als werkelijkheid kunnen herkennen. Wij komen hiermee in beweging en worden zelf even (onbewust) kunstenaar. Het stroomt in en door ons heen. Dat maakt het schilderij levend. Omdat we tijdens de waarneming zelf tot leven zijn gekomen.

Vandaar dat je als je in het Rijksmuseum bent, je voor jezelf even de tijd moet nemen om dit schilderij in je op te nemen. Het liefst langer dan vijf minuten, van dichtbij en weer verder af, weer dichtbij etc. Wacht desnoods tot de meeste mensen weg zijn. Ervaar wat je dan ervaart. Dat je niet alleen naar kunst kijkt, maar voor even zelf ook kunstenaar bent.