Afdrukken

Een tijd geleden alweer stond er in NRC een interessant interview met de cultuurfilosoof Rob Riemen, naar aanleiding van zijn boekje De eeuwige terugkeer van het fascisme. Hij zegt onder andere:

"Fascisme is lastig te definiëren, want er zit geen idee achter. Het verschijnt altijd in verschillende vormen. Het is herkenbaar aan de techniek, die kan worden omschreven als de politisering van de rancuneuze massamens, die geen geestelijke waarden erkent.""

In dit kader en volgens bovenstaande omschrijving noemt hij Geert Wilders een fascist. Waarbij het woord 'fascist' niet gebruikt wordt als scheldwoord maar als aanduiding van een bepaald soort verschijnsel, herkenbaar aan haat en gescheld, waarbij een sterke man aan het roer staat van een beweging die bouwt op ressentiment. Een ander woord voor ressentiment is rancune.
Over Wilders zelf zegt hij:

"Wilders' kiezers zijn zijn slachtoffers. Hij zal niets oplossen. Het fascisme draagt nooit wezenlijk ergens aan bij. Het is politiek van de permanente leegte. Het gaat Wilders helemaal niet om vrijheid, noch om de joods-christelijke-humanistische traditie."
"Een goede joods-christelijke-humanistische traditie is verheffing van het volk. Wilders wil de massa niet verheffen, maar beheersen. Hij bedrijft demagogie, hij zoekt zondebokken, hij liegt in zijn programma. Dat maakt hem tot de volmaakte anti-democraat."
"Het gaat Wilders om één ding: macht."

En als hij die macht heeft?
"Dan wil hij meer macht." 

Actueel, dit onderwerp, en in zekere vooruitziend richting de toekomst. Maar ook een terugblik op de jaren dertig van de vorige eeuw. Hetzelfde onderwerp, dezelfde dreiging van haat, gescheld en het zoeken van zondebokken. Dezelfde hang naar een sterke leider die alle opgekropte frustraties en wrok jegens anderen durft te verwoorden.
Toen was er de opkomst van het nationaal-socialisme, nu die van Pim Fortuijn, de LPF, Rita Verdonk en Geert Wilders met zijn PVV. Met in zijn kielzog momenteel de FvD van Thierry Baudet en vooral Thierry Baudet zelf.

Iemand die al in 1937 helder in de gaten had wat zich in de samenleving toentertijd ontwikkelde was Menno ter Braak. Zijn essay Het nationaal-socialisme als rancuneleer leest actueler dan ooit.
Voor hem ontstaat de rancune door het steeds luider gepropageerde gelijkheidsbeginsel. Ieder mens heeft evenveel rechten als de ander. Echter, de praktijk laat zien dat sommigen meer voordeel (financieel, maatschappelijk, sociaal) weten te bereiken dan anderen. Dit botst met het gevoel "recht te hebben" op een evenredig stuk geluk en welvaren. Hieruit ontstaat rancune, afgunst. Vervolgens is er 'de mislukkeling die zijn mislukking niet kan slikken.'
De sterke leider van die tijd, Mussert, wakkert dit soort onvrede, door ter Braak ook ressentiment genoemd, aan. Er worden zondebokken gevonden, in de Joden. Ter Braak ontmaskert het nationaal-socialisme als "een beweging van raté's (= mislukkelingen - F.T.); d.w.z. het is een beweging, waarvan de inspiratie voortkomt uit de rancune."
Waarbij ter Braak, voortbordurend op de bevindingen van de filosoof Friedrich Nietzsche, concludeert: "de rancune behoort tot de meest essentiële verschijnselen van onze cultuur." Want, voortkomend uit het principe van de democratie, die iedereen in beginsel gelijke kansen geeft. Maar omdat velen die kansen niet (kunnen) grijpen, ontstaan de wrok, de haat, de rancune tegen mensen die het beter hebben.

"De raté, de mens van het ressentiment, weet alleen, dat hij het meerdere bezit van de ander niet verdragen kan, dat het hem hels maakt een ander bevoorrecht te zien; hij wrokt, omdat hij in de wrok althans de lust beleeft der permanente ontevredenheid; hij koestert de wraakgedachte zoals de artist het ‘l'art pour l'art’, en het is typerend voor zijn wraakzucht, dat de ontlading daarvan hem meestal geen verlichting brengt. Integendeel: de raté, die bij ongeluk zijn wrok kwijtraakt, wordt een mens zonder lotsbestemming, een raté in het quadraat, die voor zijn wrok andere doelstellingen gaat zoeken."

Verder:

"Men kan dus de rancune niet als een uitzonderingstoestand beschouwen in een cultuur, die, als de onze, de tendens vertoont om aan alle mensen gelijke rechten te verlenen. Het is de gelijkheid als ideaal, die, gegeven de biologische en sociologische onbestaanbaarheid van gelijke mensen, de rancune promoveert tot een macht van de eerste rang in de samenleving; want wie niet gelijk is aan de ander en toch gelijk aan die ander wenst te zijn, wordt in deze samenleving niet onder verwijzing naar standen of kasten op zijn nummer gezet, maar hem wordt een premie toegekend! Zijn streven naar gelijkheid wordt theoretisch rechtvaardig geacht, ook door degenen, die er geen ogenblik aan zullen denken praktisch voor de verwezenlijking van een gelijkheid, die in hun nadeel zou zijn, iets te doen! Ziedaar de grote paradox ener democratische maatschappij, waarin de rancune niet alleen aanwezig is, maar ook wordt aangemoedigd als mensenrecht!"

Ter Braak hekelt vervolgens de intellectuelen die bovengenoemde beweging niet doorzien, de situatie bagatelliseren door te wijzen op de positieve aspecten van het nationaal-socialisme, dat het wel meevalt etc.
Hoe herkenbaar voor deze tijd. Behalve Rob Riemen en oud- Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr (lees zijn recente pamflet De fundamenten) durft bijna niemand stelling te nemen tegen de oprukkende macht van de haat. Haat tegen de kunstsector, die als linkse hobby wordt weggezet, haat tegen verdraagzaamheid, voor het openlijk naar elkaar luisteren en met elkaar in discussie gaan. De openlijke minachting jegens andersdenkenden, de verhuftering in de omgang met elkaar. Het recht om te schelden, de ander te bedreigen. Op social media als Facebook en Twitter neemt dit hand over hand toe, zeker in de coronatijd van nu. Men pikt het niet meer, men denkt de wijsheid zelf in pacht te hebben, men neemt het recht in eigen hand. De 'grenzeloze ik' van de rancuneuze mens wordt egoïstisch opgelegd aan de omgeving.

Of, nogmaals in de woorden van te Braak:

"De ‘oppositie uit principe’; het haten om het haten (om de lust, die het ressentiment degene verschaft, die het niet weet te styleren); het met luid gebrul willen wat men in het geheel niet wil, omdat de vervulling de haatmogelijkheden maar weer zou beperken; het onmiddellijk overslaan van het ene gekanker op het andere, wanneer er bij ongeluk toch iets in vervulling gaat, om vooral bij het ressentimentspubliek geen terrein te verliezen."

Herkenbaar voor wie de talloze complottheorieën tegenwoordig een beetje volgt.