Hoofdbanner

Sprookjes behoren niet uitgelegd te worden. Je moet ze lezen of aanhoren, zodat je er helemaal in op kunt gaan. Ze blijken zo’n overvloed aan beelden te bevatten dat het zonde zou zijn ze uit te kleden tot een kaal en hoekig raamwerk. Een rationeel analyseren zou een groot stuk innerlijke beleving weghalen. Zie wat ik hier eerder over schreef.
Soms heeft het toch zin bepaalde beelden of gedeeltes uit sprookjes onder de loep te nemen, om bewust te krijgen welke motieven er een rol spelen. Juist deze bewustwording kan meer diepte en inzicht in het sprookje verschaffen, zodat de beeldenrijkdom niet alleen vaag aangevoeld wordt, maar tegelijk met volle helderheid opgenomen. Hetgeen onszelf ook vult met een gevoel van innerlijke rijkdom.
Zo kun je sprookjes onderscheiden die specifiek in een bepaald jaargetijde passen. De voorjaarssprookjes bijvoorbeeld. Met voorjaar wordt hier bedoeld de maanden februari en maart, dus letterlijk vroeg in het jaar.
Het bekendste voorjaarssprookje is wel Vrouw Holle. Zij symboliseert de voorjaarsreiniging die in februari in zowel de natuur als de mens plaatsvindt. Een voorbereiding op de lente die komen gaat. Als de reiniging ten volle geschiedt, met andere woorden als de bedden van Vrouw Holle goed geschud en opgemaakt worden kan men, als het goede meisje in het sprookje, goudglanzend de lente instappen.
Het sprookje De drie mannetjes in het bos is hieraan nauw verwant. Ook hier weer het reinigen, het schrobben, met als uiteindelijke beloning een koninkrijk op aarde.

Sneeuwwitje en Rozerood is ook een voorjaarssprookje. Hier speelt zich, zoals in veel sprookjes, een strijd af tussen het hogere en het lagere, maar nu met als achtergrond de overgang van winter naar zomer. Het naar binnen gekeerde van de winter en het naar buiten gerichte van de zomer bestaan zowel in de natuur als in de mens. Dit wordt duidelijk in de beginregels van het sprookje aangegeven:

“Een arme weduwe leefde eenzaam in een hutje en voor dat hutje was een tuin waarin twee rozenboompjes stonden; en het ene droeg witte, het andere rode rozen. Zij had twee kinderen die op de beide rozenboompjes leken, en het ene heette Sneeuwwitje, het andere Rozerood.”

De arme weduwe kan gezien worden als symbool voor de aarde die het contact (het huwelijk) met de geestelijke wereld heeft verloren. Op die aarde heersen (witte) winters en (rode) zomers. De naturen van Sneeuwwitje en Rozerood lopen hier parallel aan. Sneeuwwitje zit het liefst thuis bij haar moeder, steekt ’s winters het vuur aan, hangt de ketel aan de pothaak en schuift de grendel voor de deur. Rozerood daarentegen springt liever rond in de weiden en velden, zoekt bloemen en vlinders, en verzorgt ’s zomers het huis. Het is ook Rozerood die de deur opendoet als er iemand langskomt.
De beide kinderen houden veel van elkaar en gaan altijd samen uit. Ze beloven elkaar nooit te verlaten. Zo zijn ze getweeën hét symbool voor de mens in evenwicht.
Op een avond komt er onverwachts een beer aan de deur. De kinderen schrikken hevig, maar de beer begint te spreken en zegt dat ze niet bang hoeven te zijn, hij wil zich alleen een beetje warmen. Op aandrang van hun moeder komen ze weer tevoorschijn en kloppen de sneeuw uit zijn pels. Ze raken snel vertrouwd met de beer, stoeien met hem, zozeer dat deze zegt:

“Laat me leven kinderen: Sneeuwwitje, Rozerood, je slaat je vrijer dood.”

Zo komt de beer iedere avond langs om bij het haarvuur te kunnen overnachten. Maar als de lente is gekomen en het buiten groen is geworden, zegt de beer: “Nu moet ik weg en ik mag de hele zomer niet terugkomen.”
Hij moet namelijk, zegt hij, zijn schatten beschermen tegen de boze dwergen. Deze zitten ’s winters onder de aardkorst, die dan hard bevroren is, maar zodra de zonnestralen de aarde ontdooit komen ze tevoorschijn.
De beer blijft echter bij de deur aan de haak hangen en scheurt een stukje van zijn vacht. Sneeuwwitje meent daaronder iets als goud te zien schitteren, maar is daar niet zeker van.

Dat goud van de beer is een teken dat hij iets stralends in zich bergt. Het is alleen bedekt door zijn uiterlijke vel.
In het algemeen kan de beer gezien worden als een goedmoedig, aan de aarde gekluisterd wezen. In dit sprookje verwijst de beer tevens naar een diepere inhoud. De Grote Beer is een sterrenteken aan de hemel. De hemel staat voor het geestelijke, en het is de mens die naar dit geestelijke moet streven, met andere woorden daarmee een relatie zal moeten aangaan. Vandaar dat de beer schertsend zegt: “Je slaat je vrijer dood.”
Maar dit geestelijke is nog gekluisterd aan het aardse, vandaar het uiterlijke vel met daaronder dat goud. Door het lage, het egoïstische is dit hemelse nog niet zichtbaar hier op aarde. De boze dwerg namelijk blijkt de beer betoverd te hebben, want in werkelijkheid is hij, zoals op het einde blijkt, een koningszoon.

Sneeuwwitje en Rozerood komen tot driemaal toe die boze dwerg tegen. Evenzovele malen redden ze hem uit de nood. Onwetend als ze zijn helpen ze hiermee telkens het lagere, het slechts denken aan het eigenbelang.
Eerst zit de dwerg met zijn baard in een wig van een boom, daarna zit hij vast in het snoer van zijn henegel terwijl een vis hem het water in dreigt te trekken, en de derde keer kunnen ze hem nog net uit de poten van een adelaar bevrijden. In plaats van dankbaar te zijn, scheldt de dwerg hen voor alles en nog wat uit en grist achtereenvolgens een zak goud, een zak parels en een zak edelstenen weg.
De dwerg is een wezen dat voornamelijk hoofd is, vol wijsheid, maar ook kil en berekenend omdat hij niet als de mens een geweten heeft. Letterlijk haalt hij hier de bodemschatten uit de aarde weg. Puur voor zichzelf, puur uit egoïstische motieven.
Maar de derde keer, als Sneeuwwitje en Rozerood uit de stad terugkomen, verrassen ze de dwerg op de heide. Het feit dat ze hem zien betekent dat ze hem door beginnen te krijgen. Hij heeft zijn zak met stenen zojuist leeggeschud en begint direct weer op hen te schelden. Plotseling komt de beer er aan. De dwerg is te ver van zijn hol om te kunnen ontsnappen, wordt doodsbang en roept vertwijfeld tegen de beer dat hij die meisjes maar moet opeten, dat is een mals hapje. De beer echter geeft hem één klap met zijn poot en de dwerg is dood.
Het hogere heeft gezegevierd over het lagere. Maar de kinderen herkennen de beer erst niet, pas als ze zijn stem horen weten ze wie hij is. Terstond valt de berenhuid van hem af en staat hij daar als schone jongeling, helemaal in goud gekleed.
Zo zuiver en harmonieus als de kinderen waren, zo volledig in de natuur opgaand. Zo onbewust leefden ze tegelijkertijd. Ze waren niet wakker. Ze herkenden het negatieve niet (de dwerg), evenmin het geestelijke (de beer), hoewel ze met de laatste toch vertrouwd waren geraakt. Slechts zijn stem, en daarmee hun eigen innerlijke stem, opende hen de ogen. Hun bewustwording, het eigenlijke thema van dit sprookje, was hiermee een feit.
Tenslotte trouwt Sneeuwwitje met de koningszoon en Rozerood met zijn broer.

“En de oude moeder leefde nog lange jaren rustig en gelukkig bij haar kinderen. De twee rozenboompjes nam zij echter mee en die stonden voor haar raam en droegen elk jaar de schoonste rozen, witte en rode.”

De arme weduwe is geworden tot een oude moeder die in innige samenhang met haar kinderen leeft. Ziehier de aarde die haar bestemming gevonden heeft. De mens heeft zich voorgoed verbonden met het hogere in zichzelf, de koningszoon. In zichzelf draagt hij voortaan de schoonste rozen, witte en rode. Eén met de natuur was hij al, naar het geestelijke toegegroeid is hij nu pas werkelijk. Hij is gekomen van een natuurbewustzijn naar een doorleefd zelfbewustzijn.